Tafeltennis.nu

In deze column voor tafeltennis.nu betoogt Lex Bruijn hoe jeugdspelers met talent of aanleg al dan niet verschillend zullen worden gefaciliteerd. Ook legt hij nog een link naar een interview dat Bettine Vriesekoop gaf na haar benoeming als meisjes kadetten bondscoach.

"
Aanleg en talent zijn twee verschillende begrippen die vaak door elkaar worden gehaald. Hoe vaak horen we niet dat ‘die jongen veel talent heeft’ of ‘dat meisje is voor deze sport geboren’? Helaas maar al te vaak en door de verwarring die daardoor ontstaat, krijg je het idee dat als een kind begaafd is, het ook tegelijkertijd veel talent heeft. Maar dat hoeft helemaal niet.

Aanleg voor onze sport, dat herkennen we als we een jeugdspeler zien met veel balgevoel en een mooie techniek. Dan wordt er dan vaak gezegd: ‘Wat een talent is dat’, terwijl we eigenlijk bedoelen te zeggen dat de jongeling aanleg heeft voor de sport. Talent is zoveel meer dan aanleg. Aanleg is datgene dat aangeboren is, waar je niets voor hoeft te doen. Maar wel iets wat je moet ontwikkelen, wil je er profijt van hebben. Talent is veel meer een containerbegrip. Aanleg maakt daar vanzelfsprekend deel van uit. Maar er is meer: inzet, doorzettingsvermogen, kunnen omgaan met teleurstellingen, de wil om te leren (van nederlagen), vermogen tot zelfreflectie, realistische doelen stellen en daar naar toe werken en vooral het plezier ervaren van je inspanningen. Maar al te vaak ervaren jeugdspelers in tafeltennis alleen een positief gevoel bij overwinningen op een gelijkwaardige of hoger ingeschaalde tegenstander. Na een verliespartij horen we regelmatig de opmerking: ‘Slecht gespeeld!’ Het kunnen genieten van een goed gespeelde wedstrijd die net verloren ging is kennelijk niet iedereen gegeven, maar als daar wel sprake van is, dan is het in elk geval een aanwijzing voor de aanwezigheid van talent.

Verder is de omgeving van de speler een bepalende factor voor het behalen van resultaat en het ervaren van plezier in de sport. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar de faciliteiten die het de sporter mogelijk maken zijn vaardigheden verder te ontwikkelen, maar ook naar de druk die de omgeving legt op de jonge sporter om te presteren (ouders, trainers, coaches). Door het ‘moeten’ kan gemakkelijk disbalans ontstaan tussen plezier en presteren. Als het kind wordt aangezet tot overmatig trainen nemen weliswaar prestaties toe, maar groeit de kans op overvragen. Het onderscheid tussen aanleg en prestatie wordt dan tijdelijk een grijs gebied. Het kind met een goede aanleg presteert dan feitelijk boven de top van zijn kunnen. De aanvankelijk waar te nemen voorsprong op andere (hoogpresterende) kinderen gaat daardoor verloren, met alle emotionele gevolgen van dien. Dat is wat er kan gebeuren als we de jeugd te vroeg lastig vallen met winnen en verliezen, met licenties en ranglijsten. Zeker tot een jaar of 12 moet iedereen tegen iedereen spelen en moet er sprake zijn van een mix van jeugdspelers. Het gaat hier vooral om de beleving en het plezier in de sport. Dus geen Panningen voor deze kids. Maar ook na deze leeftijd moeten de trainers zich niet focussen op het ‘unieke talent’. Gewoonweg omdat we nog lang niet weten hoe de speler of speelster zich verder ontwikkelt. Ik ben dus wel voor de finale NJM in Panningen voor kadetten en junioren, maar dan ik zou dan graag het toernooi uitgebreid zien. De top 12 speelt daar hun toernooi, maar de nrs 13 t/m 24 moeten daar ook hun toernooi kunnen spelen. Van mijn part noem je dat de A1 en de A2 meerkampen, maar zo houd je het ook voor de subtop aantrekkelijk.

Pas vanaf een jaar of 18 kun je gaan inzoomen op talentidentificatie. Consequentie hiervan is waarschijnlijk wel dat de echte talenten pas op latere leeftijd tot wasdom komen, maar dat lijkt mij geen enkel probleem. Ik heb in een eerder column betoogd dat wij zgn. talenten veel te vroeg afschrijven. In alle sporten zijn voorbeelden te over van spelers die pas na hun 20e doorbreken. De kunst is niet om een enkele wereldtopper te krijgen op de leeftijd van 17 jaar, de kunst is om uit alle kinderen te halen wat er in zit en ze hun eigen top te laten ervaren, al is dat pas op hun 24e. Dit model lijkt veel op de wijze waarop de Noren hun wintersporters van jongs af aan met heel veel succes opleiden. Onder het motto ‘er is nog nooit een kok gevonden die koken kan voor alle monden’ moet er een aparte opleiding tot jeugdtrainer komen, waarbij de trainers zich ook kunnen specialiseren in de verschillende leeftijdsgroepen ( 6-9, 9-12, 12-15 en 15-18 jaar).

De ‘Chinese’ aanpak met drie uur trainen per dag voor kinderen van 6 jaar, waar de nieuwe bondscoach van de meisjes kadetten Bettine Vriesekoop onlangs over sprak bij omroep Max, gaat hier niet werken, maar dat weet zij waarschijnlijk zelf ook wel. Jammer voor haar misschien, maar Papendal is in mijn visie een onbegaanbare weg in talentontwikkeling. De focus ligt hier op een veel te kleine groep speelsters. In eerdere column ben ik daar al eens dieper op ingegaan. Afgelopen jaren hebben bewezen dat Papendal ‘bewoond’ wordt door enerzijds meisjes met aanleg, maar zonder voldoende andere aspecten die behoren bij talent en anderzijds meisjes bij wie niet de ijver en inzet, maar wel de aanleg ontbreekt. Een armetierig vooruitzicht helaas. Vriesekoop had het er bij omroep Max ook nog over dat je tafeltennis kon vergelijken met het leven. Situaties in tafeltennis overwinnen, helpen je ook in moeilijke situaties in het dagelijks leven. Je kunt dan putten uit je pijlenkoker op je rug. Ik denk dat er helaas niet genoeg pijlen zijn om met het huidige beleid een nieuwe Vriesekoop op te laten staan.

"

Column voor tafeltennis.nu door Lex Bruijn